Wrakduiken in Zuid Frankrijk; impressies.

Voor de kust van Zuid Frankrijk liggen veel scheepswrakken.
Het houtwerk van de wrakken is vergaan, sommige stukken zijn door explosies weggeslagen maar het grote delen van deze schepen zijn nog steeds herkenbaar.
Het zijn kathedralen onder water, zoals je ze op de witte zandbodem van de Middellandse Zee aantreft. Zo groot dat je ze zelfs bij goed zicht niet overziet. De natuur heeft er bezit van genomen. Er groeien nu zachte koralen (gorgonen)  op en het wemelt er van leven. Schitterende duikstekken dus.
De wrakken liggen op diepten tussen de 30 en 60 meter. Gevolg is dat alle duiken decompressieduiken zijn. Dus van tevoren goed afspreken hoe diep je gaat, wat je bodemtijd wordt en aan de hand van de tabel bepalen hoe lang je in decompressie uit moet hangen. Wij duiken in een groep van vijf. Door het goede zicht in de Middellandse Zee is dat geen enkel probleem.

De eerste duikdag begint met een duik op de Rubis. De Rubis is een onderzeeboot waarmee de Franse marine in de tweede wereldoorlog mijnen legde. Daarna werd hij gebruikt als opleidingsschip en omdat de marine een doel nodig had om oefeningen met sonar te doen heeft men het in 1958 voor Cap Camarat laten zinken.
Ik had er al eerder op gedoken maar wat ik mij van die duik het meest herinner is dat ik als een vlaggetje in de stroom hing te wapperen waardoor ik maar een beperkt gedeelte van het schip zag.
Zo’n eerste diepe duik heeft toch weer wat spannends…. Niet te lang denken verder, duikuitrusting omhangen (met 15 literfles) en overboord, ankerlijn opzoeken, wachten op 3 meter tot iedereen er is en als een speer naar beneden langs de lijn. Hoe dieper je daalt hoe blauwer het wordt maar het wordt niet donker. Rond de 20 meter verschijnt er vaag de vorm van iets donkers en groots in de diepte.

De lijn eindigt op ongeveer 35 meter diepte en blijkt te zijn vastgeknoopt aan een grote onderzeeër (Lengte ca. 60 meter).Hij staat recht op de bodem, de stroom is te verwaarlozen, het zicht schat ik op 25 meter.
Even wachten tot het gezelschap compleet is en daarna zweven boven, naast en onder het wrak. Vasthouden is niet nodig. Op sommige plaatsen is de scheepshuid weggeroest waardoor je in het wrak kunt kijken, er staat een luik open voor de commandotoren, je kunt de ruimen aan de zijkant herkennen waar de mijnen werden opgeslagen, er zitten congers (grote zeepalingen) in, we zien een dikke zeebaars in het wrak en er zwemmen grote scholen vis omheen. De boeg is indrukwekkend, je kunt er voor, langs en onderdoor zwemmen.
De achterkant is er afgeslagen door de springlading waarmee het schip tot zinken werd gebracht. Daardoor kun je in het schip kijken. Opvallend is hier het ontbreken van begroeiing. We treffen wel naaktslakken aan.
Voor ik het weet is de bodemtijd (20 minuten) alweer verstreken en moeten we via de ankerlijn omhoog.
Nog even achterom kijken, de vormen vervagen alweer maar vanmiddag komen we nog een keer terug.
Op 9 meter beginnen de deco stops. Die moet iedereen doen en daarom is het met ongeveer 15 duikers altijd druk op deze diepte bij de ankerlijn. De zee is blauw, ik zweef, er is geen stroom en daarom hoef ik de ankerlijn niet vast te houden en alleen maar mijn dieptemeter in de gaten te houden en rond te kijken naar al die merkwaardige weekdiertjes die voorbij zweven en een school vis die in de diepte voorbij zwemt.
Boven water varen we tevreden naar de haven van Cavalaire om ons lunchpakket te verwerken.
De eerste duik zit er weer op en het was schitterend. Lunch in de zon aan de waterkant. Opletten dat de intervaltijd voor de tweede duik tenminste vier uur wordt dus ruim de tijd nemen.

Omstreeks twee uur ruimen we de rommel op en gaan we kijken of de Rubis inmiddels niet is weggevaren of afgedreven. Gelukkig blijkt hij er nog steeds te zijn, de omstandigheden zijn nog net zo goed als s’ochtends zodat we nu goed in de gelegenheid zijn om de commandotoren te bekijken. De buizen waar vroeger de periscopen en de snuiverapparatuur in zaten zijn nog herkenbaar, ook de luiken en de plaats waar raampjes zaten. De vissen en de naaktslakken zijn er ook nog. Veel te snel (Bodemtijd 13 minuten ) moeten we weer terug. Van alle wrakken waar we op hebben gedoken ligt de Rubis het verst verwijderd van onze thuishaven La Favière. Na anderhalf uur varen waarbij ik toch wel wat koud word leggen we aan. Onze duikuitrusting uitspoelen en opbergen op de duikbasis, niet vergeten om de lamp (opladen!) en de computer (voor het logboek) mee te nemen en nog even met zijn allen een drankje te pakken op een terras vlakbij. In de auto naar La Londe voor het avondeten en daarna vroeg pitten. Het bestaan van een wrakduiker is slopend….

De volgende dag staat de TOGO op het programma. De TOGO is een stoom/zeilschip van rond 1500 ton dat in 1882 werd gebouwd. In 1918 liep het voor de kust bij Cavalaire op een mijn die daar door Duitse onderzeeboot UC 35 was gelegd. Het schip was ca. 80 meter lang en 10 meter breed, had drie masten en een grote stoommachine. De bovenkant ligt nu op op een diepte van ca. 50 meter.
Pak aan, duikuitrusting aan boord, lood, lamp en computer niet vergeten en daar gaan we weer. Opnieuw is het mooi rustig weer. We spreken af dat wij met weer met zijn vijven naar beneden gaan. Omdat ik wil fotograferen zal ik wat boven het wrak blijven hangen met een buddy, de andere drie willen de dieptemeter even in de Middelandse zeebodem steken. Na ongeveer een uur varen zijn we boven het wrak en wordt de ankerlijn vastgemaakt. Op het teken van de schipper springen we overboord, het water is blauw het zicht voortreffelijk, opnieuw geen stroom dus met zijn allen als een baksteen naar beneden!Het blauw wordt donkerder, er komt iets groots in zicht dat nog donkerder blauw lijkt en de vorm van een groot schip krijgt naarmate we verder zakken, de witte zeebodem contrasteert met het wrak en er zitten zoveel gorgonen (zacht koraal) op dat sommige delen er volledig mee zijn bedekt.

De ankerlijn blijkt in het midden van het wrak vastgeknoopt en we besluiten eerst naar het achterschip te gaan. Als ik met mijn lamp op de gorgonen schijn blijken ze felle kleuren te hebben die variëren van knalgeel tot diep paars. Vissen zwemmen er bij honderden, ik kom ogen te kort. Naast al het kleine spul (anthia’s ) zie ik zeebrasem, gaffelkabeljauw en schorpioenvis. Het ruim ligt open, de houten dekken zijn allang verdwenen, hier en daar zie je een duiker in het schip zwemmen.. Het drietal dat nog even naar de bodem wil geeft het OK teken, vervolgens het afdaalteken en vertrekt. Ik zie ze onder ons langs de scheepsromp naar beneden gaan, even later de bodem bereiken en rustig weer omhoog komen. Samen  zwemmen we weer verder over het achterschip. Indrukwekkend, je zou de tijd haast vergeten. Helaas, na 20 minuten moeten we ook hier de terugtocht weer aanvaarden. ‘s Middags duiken we op het voorschip. Er ligt een grote lier en er staat een kraan op het achterschip die volledig begroeid is met gorgonen. Twee jaar terug doken we voor het eerst op dit wrak. Uitgekeken zijn we er nog lang niet…

De woensdag die daarop volgt zal anders lopen dan we verwachten. Op het programma staat ‘s morgens de Donator, een gezonken vrachtschip en ‘smidags het congerwrak. Buitengaats blijkt er veel wind en een stevige golfslag te staan maar lang niet genoeg om ons tegen te houden. Bovendien liggen deze wrakken enigszins in de luwte van het eiland Ile de Port Cros, een nationaal (natuur)park. Bij de Donator ligt echter een marineschip sonaroefeningen te houden. Ons gezelschap daarbij wordt niet op prijs gesteld dus dan maar naar het congerwrak. Het congerwrakje is klein, laag en ligt diep, ca. 50 meter. Op de sonar van ons schip is het wel te zien dus gaat de duiker overboord die de ankerlijn moet bevestigen. Dat probeert hij tot drie keer toe maar helaas, door de stroom en de golfslag slaagt hij er niet in aan het wrak vast te maken. Drie keer in korte tijd naar 50 meter is niet echt gezond dus wordt het zoeken gestaakt. Druk overleg in de stuurhut met als resultaat dat wij wrakduikers nu een dag van de onderwater natuur mogen gaan genieten. Daar is niets mis mee. We zitten midden in een natuurgebied. Aan de zuidkant van het eiland ligt, La Gabinière, een gebied met schitterend begroeide rotsen en veel vis. De duikstek blijkt wel op de wind te liggen en de golven lopen aardig hoog tegen de rotsen op. Geen probleem als je er ver genoeg vandaan blijft bij het in het water springen en het er uit komen. Op 10 meter diepte is de golfslag minder te voelen. We worden overboord gezet met de afspraak naar de rots toe te zwemmen, vervolgens naar het westen te gaan waar we uiteindelijk, om de hoek van het eiland in de luwte van de wind en de golven door onze schipper weer zullen worden opgewacht. We duiken weer met zijn vijven. Het overboord gaan verloopt niet helemaal vlekkeloos omdat de eerste duiker al springt terwijl de laatste nog niet klaar is. Gevolg: de groep is verspreid, drijft zonder het in de gaten te hebben af, gaat uiteindelijk wel naar beneden maar mist een duiker, wacht bij de rotswand waar de vermiste duiker weer wordt gevonden, er blijkt veel tegenstroom te staan, maar mooi dat het is! MOOI!! Stel je voor, je springt in het water en zit met tientallen meters zicht direct tussen een school barracuda’s en tonijnen, enorme gorgonen (hoe meer het stroomt des te groter ze zijn), grote tandbaarzen, indrukwekkende canyons en hier en daar in rotsspleten zelfs rood koraal (AFBLIJVEN!!). Ogen te kort dus maar ook handen want die heb ik af en toe nodig om mezelf tegen de stroom in langs de rotswand te trekken. Ondertussen voegt zich nog een duiker bij ons die van haar groep is afgedwaald. Na ca. 40 minuten blijkt al dat gedoe meer lucht te hebben gekost dan de bedoeling is waardoor we de plek waar we op zouden moeten duiken niet bereiken. Eerst maar onder water zo ver mogelijk van de rotswanden vandaan en daarna naar boven. Bovengekomen veel golven en geen schip te zien (Die lag achteraf keurig om de hoek te wachten). Dus bij elkaar blijven en afwachten wat er gebeurt. Vrij plotseling komt een ons onbekende rubberboot om de hoek scheuren met een nogal paniekerige Fransman die ons afhankelijk van ons individuele gewicht met meer of minder moeite aan boord sleurt. Hij blijkt bij een ander duikschip te horen dat toevallig in de buurt ligt. Nadat we zijn terugbezorgd op ons eigen schip worden de koppen geteld, iedereen is er en moe, hongerig maar ook heel tevreden over deze mooie en leerzame duik zetten we koers naar het eiland om daar, uit de wind en in de zon onze lunch te verorberen. De rest van de week hebben we weer “gewoon”op wrakken gedoken, de Sagona, het congerwrak (Ja toch wel!), de Donator enzovoort. Van ieder wrak is een ander verhaal te vertellen. Dat doe ik hier niet, er moet voor jullie ook wat te ontdekken over blijven maar ik hoop dat ik over heb kunnen brengen waarom wrakduiken in de Middellandse zo fascinerend mooi is.

Kees Alberts

Foto's van het internet